Mijn geheugen is een zeef en toch herinner ik me de ochtend van zaterdag 22 oktober 1994 en de dagen die daarop volgden zo helder dat het dertig jaar later nog steeds pijn doet.
Ik was 19 en net begonnen aan mijn tweede jaar in Leuven. Dat weekend kwam ik pas op zaterdagochtend naar huis en was rechtstreeks van het station naar de academie gewandeld. Na de les kwam mijn mama me ophalen. Ik zag meteen aan haar blik dat er iets niet in orde was. Ze vertelde dat Kristien een ongeluk had gehad aan het station van Kiewit. Ik vroeg haar om me naar het ziekenhuis te brengen. Ik zag onze vriendengroep al rond Kristien haar bed staan, met van die ‘get well soon’ ballonnen, nog onder de indruk van de feiten, maar wel samen. Dat beeld werd al snel aan diggelen geslagen. Er was geen Kristien meer, dus ook geen ziekenhuisbed om rond te staan. Ik liet me naar mijn beste vriendin brengen. Pas toen wij elkaar in de armen vielen, sloeg het pijnlijke besef toe. Wonden die nog maar net aan het genezen waren, werden op de meest brutale manier terug opengereten. Amper vier maanden eerder hadden wij al afscheid moeten nemen van twee vrienden. Toen stonden we wél samen rond een bed en was Kristien er wél bij. Het was immers het bed waar haar vriend opgebaard lag. De zomer had de meest scherpe randjes van dat verdriet verzacht, voor zover dat mogelijk is. Wisten wij veel dat we amper enkele maanden later opnieuw samen zouden komen, in de kerk, bij ouders thuis, rond alweer een graf.
Het gemis is één ding, daar heb ik mee leren leven. Getuige zijn van rauw verdriet is nog iets anders. De afschuw waarmee een vriend, een lief, een dochter, een zoon, broer of zus uit iemands leven werd gescheurd achtervolgt me tot op de dag van vandaag. Ik heb lang niet begrepen waarom ik mijn ogen nog steeds afwend als er een trein voorbijraast, waarom ik zo intens meeleef als ik verhalen hoor van ouders die een kind verliezen, waarom ik het zo moeilijk heb met loslaten.
Ik heb het gezien en gevoeld. Niet alleen mijn verdriet, maar vooral dat van een ander. Hoe een vader voor de tweede keer een kind moest afgeven, hoe een meisje gebogen stond over haar dode vriend, hoe een moeder zelfs geen afscheid kon nemen van haar dochter.
Hun verdriet heeft zo’n indruk op mij gemaakt dat ik het zonder goed en wel te beseffen als de ultieme vorm van lijden heb gedefinieerd. Ik vond zelfs dat ik het niet waard was om Kristien, Sam of Joachim te missen. Wie was ik? Slechts een getuige, iemand die aan de zijlijn stond toe te kijken hoe levens in duigen vielen. Tenzij ik dit ooit zelf zou meemaken met mijn kinderen, was er geen enkele pijn waardig aan dit soort verdriet. Ik heb er een angst aan overgehouden, eentje waar ik elke dag tegen moet vechten. Kinderen moet je durven loslaten, ook al weet je dat er ooit iemand aan je deur kan staan met het slechtste nieuws dat je in je leven kan krijgen.
Omdat je nooit voorbereid bent op zo’n verdriet, zal ik het ook nooit een plaats kunnen geven. Dat merk ik als ik naar de foto’s van Sam en Kristien kijk, naar hun doodsprentjes, hun rouwbrieven. Ik zie kinderen die voor altijd negentien zullen zijn. Ik laat een traan voor wat had kunnen zijn, voor de leegtes en het leed, de angsten en het gemis.
Voor Kristien, Sam en Joachim
