Gisteren zei een vriendin iets tegen mij waarvan ik schrok.
“Ik ben tegenwoordig niet de persoon die ik zou willen zijn.”
Ik schrok omdat het de woorden waren waarnaar ik zelf al zo lang op zoek ben.
Ook ik kruip ’s avonds vaak mijn bed in met de gedachte dat ik vervreemd ben van mezelf. Ik ben niet de moeder die ik wil zijn voor mijn kinderen, niet de vrouw die ik wil zijn voor mijn man.
Dat betekent niet dat ik mezelf een slechte vrouw of mama vind, integendeel. Ik ben me er gelukkig van bewust dat mijn intenties meer dan goed zijn en dat er spijtig genoeg heel veel anderen zijn waar zelfs dat niet juist zit. Ik meen het allemaal echt wel goed en ik doe mijn uiterste best. Maar dat neemt niet weg dat ik inzie dat goed soms gewoon niet goed genoeg is. Naar mijn maatstaven toch niet. En zeker niet de laatste maanden.
Ik ben kribbig, vaker dan men van mij gewoon is. Ik vlieg uit en verlies mijn geduld, voor de kleinste onbenulligheden. Al kan ik faits divers eigenlijk niet meer onderscheiden van wat echt belangrijk is. Mijn laptop die te traag opstart, een auto voor me die minder dan de toegelaten snelheid rijdt, een pakje met vertraging… Voeg daar een kind aan toe dat een beetje zeurt of een kamer die nooit opgeruimd geraakt et voila: the monster has awoken.
Gelukkig hebben we een zondebok voor onze ontvlambaarheid: de (peri)menopauze. Vele vrouwelijke leeftijdsgenoten zullen beamen dat dit fenomeen, samen met een miljoen andere kwaaltjes, inderdaad aan onze veranderende hormoonhuishouding toe te schrijven is. Maar het neemt het probleem niet weg.
Wat wel (eventjes) helpt, is om er eens goed mee te lachen onder vriendinnen. Want gisterenavond dacht ik: “Ik ben misschien niet de vrouw die ik zou willen zijn, maar heb gelukkig wel de vriendinnen die ik zou willen hebben.”